Turkije dag 4: Cappadocië bij daglicht

Om 09u werden we door onze gastheer gewekt om te ontbijten in de keuken. Zijn vrouw had een Turks ontbijtbuffet klaargemaakt met brood, groentjes, drie verschillende soorten zelfgemaakte confituur, verschillende kazen en thee. Het was heerlijk. Buiten de thee dan toch, want die was niet te drinken. Hij was lelijk bruin met kleine schilfertjes erin en een randje olie op de oppervlakte. Uit beleefdheid probeerden Luka en ik toch enkele slokjes te nemen.

De uitdaging was om geen rare gezichten te trekken tijdens het doorslikken. Ondanks onze goede acteerprestaties had onze gastvrouw het meteen door. Ze inspecteerde de thee en begon te lachen. Ze pakte twee potten met kruiden erin en liet die aan Luka ruiken. Bij de ene zei ze ‘cay’, Turks voor thee, bij de andere schudde ze met haar hoofd en zwaaide ze met haar vinger: niet om te drinken. Ze liep naar haar man en gaf hem een spelende tik op zijn hoofd. De man lachte verontschuldigend naar ons.

Na het ontbijt wandelden we samen met de man door het dorp. Vol overtuiging vertelde hij in het Turks over diens geschiedenis. Het was er prachtig. Het dorp bestond uit smalle straatjes, oude huisjes en een voornamelijk bejaarde bevolking. Kippen liepen kakelend over straat, honden lagen rustig te zonnen en katten kropen spelend over de daken.

Gisterenavond hadden we de laatste vier uur van onze rit in totale duisternis gereden, waardoor de schoonheid van het landschap een aangename verrassing was. Op onze wandeling ontmoeten we een Arabische lerares die als enige in het dorp een beetje Engels sprak.

Tijdens het rijden stopten we voor twee mannen die aan de voet van een berg aan het liften waren. Ikzelf ben een fervente lifter en ben altijd blij om mensen mee te nemen. Praten was door de taalbarrière onmogelijk dus bleef het bij handgebaren naar links, rechts en rechtdoor. We zetten ze af op de top van de berg in een klein dorpje.

Onze bestemming was Kızıl Kilise, de Rode Kerk, die alleen via een zandweggetje te bereiken was. Het was een warme dag, en toch lag er naast de kerk iets wit op de grond dat koud aanvoelde. Er lag sneeuw.

In Ihlava ligt een canyon van 12 km lang, de grootste in Cappadocië. Doorheen de canyon zijn er een tiental kerkjes die zijn uitgegraven in de canyonwand. Ze zijn zo’n duizend jaar geleden door christenen uitgehouwd en beschildert met taferelen uit de bijbel.

Na een lange wandeling klommen we terug naar boven, naar de weg, en begonnen we te liften. Drie minuten later stopte de eerst auto die passeerde. De bestuurder was een vriendelijke man genaamd Ali. Zijn familie woonde in Nederland, waar hij zelf ook kort gewoond had, maar toen zijn Europese visum verlopen was, had de Nederlandse politie hem terug op het vliegtuig naar Turkije gezet.

Na onze wandeling was het nu de beurt aan onze auto om zijn beestje wieltje voort te zetten. Onze neus wees ons de weg op een ontdekkingstocht over steile hellingen, smalle onverharde bergpassen, en naast diepe ravijnen. We passeerden een riviertje met drijvende restaurantjes en prachtige panorama’s. De zon was begonnen aan haar ondergang, en heel het landschap baadde in haar gouden licht.

Onze neus bracht ons naar de parking van een bergkathedraal. Terwijl we uitstapten vertelden de parkeerwachters dat we ons moesten haasten, de bergkathedraal ging elk moment sluiten. Luka vond dit natuurlijk het ideale moment om te ontdekken dat ze haar portemonnee kwijt was. Bovendien weigerde ze te vertrekken totdat ze hem gevonden had.

Bovenop de berg schalde een hoorn. De kathedraal was gesloten. Op hetzelfde moment vond Luka haar portemonnee, die in haar rugzakje op haar rug bleek te zitten. Teleurgesteld wouden we terug vertrekken toen een van de parkeerwachters naar ons toekwam. Abdel was zijn naam, en hij was geboren en getogen in dit dorpje. Hij kon ons via een ‘geheime’ weg naar de kathedraal leiden. Het was een vriendelijke man.

Over geld sprak hij niet, maar we wisten dat het niet gratis zou zijn. Toch gingen we met hem mee. Abdel leidde ons door het dorp naar de achterkant van de berg, die we samen beklommen. Het was een steile klim, en was het niet voor zijn zelfzekerheid zouden we zijn teruggedraaid. Na een kwartiertje op, tussen en onder rosten geklauterd te hebben, werd onze weg versperd door ijzeren tralies. Abdel nam de tralies voorzichtig uit zijn voegen en gebood ons naar binnen te gaan.

Het complex was veel meer dan een kathedraal. Het was een christelijk klooster geweest voor monniken. Er waren slaapkamers, opslagkamers, een keuken, een stal en een duiventil. De monniken gebruikten de duiven om te communiceerden met andere kloosters. Volgens Abdel was het gesteende van de berg makkelijk uit te graven, waardoor een kamer van 5x5m al na één a twee maanden werk uitgegraven was.

Abdel wist dat toeristen gek zijn op foto’s, dus commandeerde hij ons regelmatig om te poseren terwijl hij foto’s trok. Door zijn manier van doen en ervaring met de foto’s konden we opmaken dat hij dit regelmatig deed, maar het was nooit helemaal duidelijk in hoeverre zijn ‘geheime tours’ getolereerd werden door de officiële bewakers  van het klooster. Zo mochten we nooit op plekken op de berg komen die te zien waren vanuit het dorp. Ik gok dat zijn privétours bekend waren bij de bewakers en getolereerd werden, maar dat hij er niet te koop mee mocht lopen.

In de terugweg passeerden we de filmlocatie van de planeet Tatooine van de eerste Star Wars. In heel de streek is er reclame voor het bezoeken van deze omgeving uit de mythisch eerste film uit 1968. Achteraf ontdekte ik, tijdens het schrijven van deze tekst, dat de scenes van Tatooine in Tunesië zijn opgenomen, niet in Turkije. George Lucas (de regisseur) wou graag in Turkije filmen, maar de Turkse overheid wees zijn verzoek af, uit angst voor burgerlijke onrust.

Abdel vroeg veertien euro voor zijn privérondleiding, een bedrag dat hij zeker verdiende. Ondertussen was het donker en prioriteit nummer één was het vinden van een slaapplaats.  De keuze viel op het ‘Otel’ in Aksaray, een chique hotel waar een driepersoons kamer evenveel kostte als Abdel’s tour (ontbijt inbegrepen). Na het vinden van een bed begon direct onze volgende queeste; het vinden van eten.

Er waren tientallen restaurants in een straal van 100m rondom ons Otel. Tientallen restaurants die allemaal, maar dan ook allemaal, gesloten waren. Ik weet niet waarom. Het was ongeveer 20u op een dinsdag. Buiten restaurants was wel alles open. Op onze wandeling passeerden we zes bakkers, negen theehuizen, en een twintigtal kappers, allemaal open. Maar ze hadden enkel zoetigheden en snacks, nergens konden we iets hartig vinden. Uiteindelijk kwamen we terecht bij een smal kraampje met in grote letters ‘durum’ erop. Dus bestelden we twee durums voor een totaal van één euro.

We waren ons van geen kwaad bewust en begonnen rustig te eten. Toen werd onze fout duidelijk: het heet misschiet durum, ziet eruit als een durum, maar daarom smaakt het nog niet naar durum (zoals wij die in België kennen). Het vlees was koud en rauw en proefde vreemd. Toch aten we door, wij culinaire avonturiers kunnen wel tegen een stootje. Maar een halve ‘durum’ verder moesten we ons overgeven. Zelfs avonturiers hebben grenzen.

We trokken ons terug in de hotelkamer, waar we nog enkele uren geconfronteerd werden met onze fouten.

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *